‘Brussel past bescheidenheid’

4 oktober 2016

Een onderwerp dat Nederland raakt: Europese regelgeving in pensioenen. Nederland heeft een van de beste pensioenstelsels ter wereld, kan Brussel daarin veel toegevoegde waarde bieden? Europarlementariër Cora van Nieuwenhuizen denkt van niet: ‘De verschillen tussen de lidstaten zijn te groot. Andere landen mogen van ons leren, niet profiteren.’

cora-van-nieuwenhuizen

Tekst Ruud Slierings    Beeld Duco de Vries

Staat het onderwerp pensioenen hoog op de agenda in Brussel?
‘Nee. In veel landen is de eerste pijler, het staatspensioen, niet eens goed geregeld. Laat staan dat men bezig is met zoiets als bedrijfspensioenen. Voor de meeste landen heeft het onderwerp absoluut geen prioriteit. Onder het Nederlandse voorzitterschap van de EU heeft het tijdelijk voorrang gekregen, maar nu Slowakije voorzitter is, kunnen we op dat gebied weinig verwachten.’

Toch is er wel Europese regelgeving.
‘Zeker. En ik ben blij met de overeenkomst die kort voor de zomer in IORP II tot stand is gekomen, gelukkig nog met steun van de Britten. Die overeenkomst voorkomt dat er meer bevoegdheden naar de Europese Commissie of de toezichthouder EIOPA gaan. En wat nu ook vastligt: pensioenfondsen hoeven niet aan de zware eisen van Solvency II voor financiële instellingen te voldoen. Dat zou een verdere opdrijving van de premie of kortingen op de pensioenuitkeringen betekend hebben. Een derde pluspunt van deze nieuwe regeling is dat De Nederlandsche Bank als onafhankelijk toezichthouder het laatste woord heeft als een Nederlands pensioenfonds naar het buitenland wil verhuizen. Daardoor blijven Nederlandse criteria voor bijvoorbeeld dekkingspercentages van kracht.’

Prima toch, dat Brussel zich met pensioenen bemoeit?
‘Tot op zekere hoogte wel. Over deze vorm van betrokkenheid in IORP II ben ik tevreden. Maar het aanvankelijke voorstel van de Commissie ging te ver. Dat betrof veel ingrijpender inmenging en zou inderdaad betekend hebben dat pensioenfondsen geconfronteerd werden met strengere financiële eisen. Dat zou nadelig voor Nederlandse pensioenfondsen hebben uitgepakt. Deze overeenkomst zorgt ervoor dat Europa zich niet te veel met pensioenen bemoeit en dat het vooral een nationaal onderwerp blijft.’

Wanneer heeft Europese regelgeving zin?
‘Je moet alleen iets op Europees niveau doen waar het toegevoegde waarde biedt. En dat is lastig genoeg, want er zijn op pensioengebied maar twee landen echt vergelijkbaar: Nederland met 1.200 miljard euro belegd vermogen in bedrijfspensioenen en het Verenigd Koninkrijk met 1.800 miljard. En na de Brexit gaan we de steun van de Britten dus missen. Onder deze twee landen gaapt een enorm gat. Er zijn nog wat landen met een paar honderd miljard belegd vermogen, zoals Duitsland, en in een aantal landen bestaat het bedrijfspensioen zelfs niet eens. Een one-sizefits-all benadering is per se niet de aangewezen route.’

Maar is dat niet juist een doel van de EU: pensioenen meer gelijktrekken?
‘Ik vind niet dat wij de problemen van andere landen moeten oplossen. Het uitwisselen van kennis en best practices, prima. Maar verder moet elk land het sociale stelsel eerst op orde brengen, en de eerste pijler maar eens goed regelen. Dat is een fout die vaak gemaakt wordt als het over Europese harmonisatie in pensioenen gaat: alle pijlers worden op een hoop gegooid. Als het staatspensioen in een land goed is geregeld maar het bedrijfspensioen niet, heb je het nog altijd over een totaal ander stelsel dan dat van Nederland. De onderlinge verschillen zijn gewoon veel te groot om dat gelijk te trekken.’

Het is dus goed om pensioenstelsels nationaal te houden?
‘Zolang enige vorm van uniformiteit ontbreekt zeker. Laten we vooral leren van elkaar, maar niet profiteren van elkaar. Nederland zou een voorbeeldrol kunnen vervullen, maar als andere landen het liever op hun eigen manier willen doen, is dat hun goed recht. Het is echt iets dat nationaal ingestoken en geregeld moet worden en niet Europees afgedwongen.’

Bestaat het risico dat Nederland moet ‘bloeden’ voor anderen bij meer harmonisatie?
‘Sommige zaken kun je nu eenmaal niet over één kam scheren. Neem het hypotheekdossier: het Nederlandse hypotheek- of leensysteem is niet te vergelijken met het systeem in andere EU-landen, met name de zuidelijke. Onze banken krijgen mogelijk problemen als je al die verschillende systemen op één hoop gooit en uniform gaat behandelen. Ons pensioenstelsel is daarmee vergelijkbaar: het is uniek.’

Een lastige job om dat in Brussel duidelijk te maken?
‘Ja, en als straks het Verenigd Koninkrijk weg is, wordt dat alleen maar moeilijker. Maar ik zie mijzelf in de eerste plaats als vertegenwoordiger van Nederland, dus is het mijn taak om de eigenheid van ons stelsel voortdurend over het voetlicht te brengen.’

Er gaan stemmen op voor een Europese pensioenunie, conform de bankenunie.
‘Dat moeten we niet doen, al het pensioengeld bij elkaar in één potje. Risico’s kun je pas delen als ze gelijk zijn. Laat andere landen eerst maar eens intern hervormingen doorvoeren op de arbeidsmarkt, een stelsel opzetten met verschillende pijlers en de pensioengerechtigde leeftijd in relatie brengen tot de levensverwachting. Zolang dat niet gebeurt, kun je de stelsels niet in één unie samenvoegen. En de weg daarnaartoe is een hele lange weg.’

Maar er is wel het probleem van de grensoverschrijdende arbeid.
‘Op dat vlak kan de EU een faciliterende rol spelen. Maar laten we dit niet overschatten. Het gaat om drie procent van de werkende populatie. En veel daarvan zijn grenswerkers, mensen die dichtbij de grens wonen en aan de andere kant van de grens werken. Zoveel globetrotters zijn er niet. En voor zo’n klein deel van de Europese bevolking vind ik niet dat je bevoegdheden uit handen moet geven aan Brussel. Gelukkig hebben we dat in IORP II kunnen voorkomen. Los daarvan, er mag best een pan-Europees pensioenproduct voor ontwikkeld worden, maar dan in de derde pijler, zodat je privé kunt sparen, uit welk land je ook komt en in welk land je ook werkt. De EU kan dat faciliteren door de ontwikkeling van zo’n product in nationale wetgevingen mogelijk te maken. Dat is nou een mooi voorbeeld van toegevoegde waarde vanuit de EU.’

En een mooie kans voor Nederlandse pensioenfondsen op productdifferentiatie.
‘Dat zou je denken ja. Ik vind het zorgelijk dat we met al onze pensioenervaring en met ons sterke pensioenstelsel niet in staat zijn om pensioenfondsen voor internationaal werkende bedrijven naar Nederland te halen. Waarom willen die zich in België en Luxemburg vestigen? Omdat de administratieve lasten in Nederland zwaarder zijn. Tja…’

En dan kampen de pensioenfondsen ook nog met de gevolgen van het monetaire beleid van de EU.
‘Ik heb de president van de ECB, Mario Draghi, daarover geregeld in het Europees Parlement bevraagd. Draghi laat zijn oren nogal hangen naar onder meer het Japanse verruimingsbeleid. Maar quantitative easing is erg nadelig voor ons. Het werkt niet, want als mensen gekort worden in hun pensioen en werkenden hogere premies moeten betalen, gaan ze juist eerder oppotten dan uitgeven. Het probleem is dat de EU-landen economische hervormingen zelf ter hand moeten nemen en dat Draghi daar weinig invloed op kan uitoefenen. Daar ligt een taak voor Pierre Moscovici, Eurocommissaris Economische en Financiële Zaken, maar hij is een scheidsrechter die niet durft te fluiten. Hij durft landen als Frankrijk, Spanje en Griekenland geen boetes op te leggen. Daardoor gaat Draghi door met het verruimingsbeleid.’

Dus de pensioenfondsen hebben maar te dealen met deze ongunstige situatie?
‘De EU kan ze daarin in ieder geval niet tegemoet komen. En het is ook weer niet zo dat de lage rente alleen door het beleid van de ECB komt. Het versterkt dat effect, maar de situatie op de wereldmarkt is bepalend. We mogen de ECB en de Eurocommissaris wel aanvallen op dit beleid, en dat moeten we ook zeker blijven doen, maar pensioenfondsen moeten ook hun eigen plan trekken. En dat vooral ook goed uitleggen aan de deel nemers om hun license to operate te herstellen.’

Wat zou de toekomstige rol van Brussel op het pensioendossier kunnen zijn?
‘Het belangrijkste is dat in de lidstaten pijler 1 goed geregeld wordt. Daarin kan de EU hooguit een stimulerende rol spelen, want het heeft vooral met de begrotingsdiscipline van de landen te maken. Zelfde verhaal voor pijler 2: dat is slechts in een paar landen aan de orde. Als landen dat willen opzetten, prima, kom vooral bij ons kijken hoe je dat organiseert, maar laat het verder over aan de sociale partners in de lidstaten zelf, dat is geen taak voor de EU. Het enige gebied waarin Europa een rol kan spelen, is het faciliteren van nieuwe producten in pijler 3, hoewel daarin misschien juist een mondiale aanpak meer de ideale weg is. Dus Brussel past vooral bescheidenheid en terughoudendheid in het pensioendossier.’

Cora van Nieuwenhuizen (1963, Ridderkerk) studeerde sociale geografie aan de Universiteit Utrecht. Sinds 1 juli 2014 is zij lid van het Europees Parlement namens de VVD en lid van de Commissie Economische en Monetaire Zaken van de EU.
Daarvoor was zij onder meer Tweede Kamerlid voor de VVD en gedeputeerde voor mobiliteit en infrastructuur van Noord-Brabant.
|

Dit artikel is geplaatst in Algemeen, Artikelen, Europa met de tags , .

Voeg reactie toe

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *


1 × = vijf